Voltooid deelwoord
The past participle (voltooid deelwoord) is used to form the perfect tense, the passive voice, and as an adjective. Regular verbs follow a spelling rule; irregular verbs must be memorised — and that is what this lesson focuses on.
Regular (weak) verbs: <strong>ge- + stem + -d or -t</strong>. Irregular (strong) verbs: <strong>ge- + changed stem + -en</strong>. A handful of verbs are unpredictable (brengen → gebracht, denken → gedacht) and must simply be learnt.
Practice: Past participle of "rijden"?
gereden — rijden → reed → gereden. The vowel ij shifts to ee.
Practice: Past participle of "drinken"?
gedronken — drinken → dronk → gedronken. The vowel i shifts to o.
Practice: Past participle of "brengen"?
gebracht — brengen → gebracht. The stem changes completely.
Most verbs use <strong>hebben</strong>. Verbs of <em>motion to a destination</em> or <em>change of state</em> use <strong>zijn</strong>. A useful check: did something move from A to B, or change from one state to another?
Practice: "gaan" — hebben or zijn?
zijn — gaan expresses motion → auxiliary is zijn: Ik ben gegaan.
Practice: "schrijven" — hebben or zijn?
hebben — schrijven has no motion → hebben: Ik heb geschreven.
Practice: "vallen" — hebben or zijn?
zijn — vallen is a change of state → zijn: Hij is gevallen.
Practice: "kopen" — hebben or zijn?
hebben — kopen → hebben: Tom heeft tickets gekocht.
In a Dutch main clause the auxiliary sits in <strong>position 2</strong> and the past participle goes to the <strong>very end</strong>. Time and place expressions slot in between them.
Practice: Order these words: "ik / heb / gekocht / tickets"
Ik heb tickets gekocht. — Subject → auxiliary → object → participle: Ik heb tickets gekocht.
Practice: Complete: "Ze ___ gisteren vertrokken." (vertrekken uses zijn)
zijn — vertrekken uses zijn: Ze zijn gisteren vertrokken.
| Infinitive | Past participle | Auxiliary | Example |
|---|---|---|---|
| zijn | geweest | zijn | Ik ben hier geweest. I have been here. |
| hebben | gehad | hebben | Ik heb pijn gehad. I have had pain. |
| gaan | gegaan | zijn | Ze is naar huis gegaan. She has gone home. |
| komen | gekomen | zijn | Ze zijn gekomen. They have come. |
| zien | gezien | hebben | Heb je hem gezien? Have you seen him? |
| geven | gegeven | hebben | Zij heeft geld gegeven. She gave money. |
| doen | gedaan | hebben | Het is gedaan! It's done! |
| schrijven | geschreven | hebben | Wat staat hier geschreven? What is written here? |
| rijden | gereden | zijn | Tom is naar school gereden. Tom drove to school. |
| vallen | gevallen | zijn | Hij is gevallen. He fell. |
Practice: Participle of "zien": heb je hem ___?
gezien — zien is irregular. The past participle is gezien: Heb je hem gezien?
Practice: Complete: "Ze ___ naar huis gegaan." (gaan → zijn, she)
is — gaan uses zijn. ze (she) → ze is: Ze is naar huis gegaan.
Practice: Participle of "krijgen": we hebben niets ___!
gekregen — krijgen is irregular: gekregen. We hebben niets gekregen!
Practice Past Participles Quiz with irregular past participle cards
Flashwords uses flashcards, fill-in-the-blank quizzes, and listening exercises to make Dutch stick.
Start learning →