🇳🇱 Flashwords

Past Participle

Voltooid deelwoord

The past participle (voltooid deelwoord) is used to form the perfect tense, the passive voice, and as an adjective. Regular verbs follow a spelling rule; irregular verbs must be memorised — and that is what this lesson focuses on.

Formation — regular vs irregular

Regular (weak) verbs: <strong>ge- + stem + -d or -t</strong>. Irregular (strong) verbs: <strong>ge- + changed stem + -en</strong>. A handful of verbs are unpredictable (brengen → gebracht, denken → gedacht) and must simply be learnt.

Practice: Past participle of "rijden"?

Show answer

gereden — rijden → reed → gereden. The vowel ij shifts to ee.

Practice: Past participle of "drinken"?

Show answer

gedronken — drinken → dronk → gedronken. The vowel i shifts to o.

Practice: Past participle of "brengen"?

Show answer

gebracht — brengen → gebracht. The stem changes completely.

Auxiliary — hebben or zijn

Most verbs use <strong>hebben</strong>. Verbs of <em>motion to a destination</em> or <em>change of state</em> use <strong>zijn</strong>. A useful check: did something move from A to B, or change from one state to another?

Practice: "gaan" — hebben or zijn?

Show answer

zijn — gaan expresses motion → auxiliary is zijn: Ik ben gegaan.

Practice: "schrijven" — hebben or zijn?

Show answer

hebben — schrijven has no motion → hebben: Ik heb geschreven.

Practice: "vallen" — hebben or zijn?

Show answer

zijn — vallen is a change of state → zijn: Hij is gevallen.

Practice: "kopen" — hebben or zijn?

Show answer

hebben — kopen → hebben: Tom heeft tickets gekocht.

Word order — participle goes to the end

In a Dutch main clause the auxiliary sits in <strong>position 2</strong> and the past participle goes to the <strong>very end</strong>. Time and place expressions slot in between them.

Practice: Order these words: "ik / heb / gekocht / tickets"

Show answer

Ik heb tickets gekocht. — Subject → auxiliary → object → participle: Ik heb tickets gekocht.

Practice: Complete: "Ze ___ gisteren vertrokken." (vertrekken uses zijn)

Show answer

zijn — vertrekken uses zijn: Ze zijn gisteren vertrokken.

Key irregular past participles

InfinitivePast participleAuxiliaryExample
zijngeweestzijnIk ben hier geweest.
I have been here.
hebbengehadhebbenIk heb pijn gehad.
I have had pain.
gaangegaanzijnZe is naar huis gegaan.
She has gone home.
komengekomenzijnZe zijn gekomen.
They have come.
ziengezienhebbenHeb je hem gezien?
Have you seen him?
gevengegevenhebbenZij heeft geld gegeven.
She gave money.
doengedaanhebbenHet is gedaan!
It's done!
schrijvengeschrevenhebbenWat staat hier geschreven?
What is written here?
rijdengeredenzijnTom is naar school gereden.
Tom drove to school.
vallengevallenzijnHij is gevallen.
He fell.

Practice: Participle of "zien": heb je hem ___?

Show answer

gezien — zien is irregular. The past participle is gezien: Heb je hem gezien?

Practice: Complete: "Ze ___ naar huis gegaan." (gaan → zijn, she)

Show answer

is — gaan uses zijn. ze (she) → ze is: Ze is naar huis gegaan.

Practice: Participle of "krijgen": we hebben niets ___!

Show answer

gekregen — krijgen is irregular: gekregen. We hebben niets gekregen!

Practice Past Participles Quiz with irregular past participle cards

Practice Past Participle for free

Flashwords uses flashcards, fill-in-the-blank quizzes, and listening exercises to make Dutch stick.

Start learning →