Perfectum & imperfectum
Dutch has two past tenses. The perfectum (hebben/zijn + past participle) is the default in spoken Dutch. The imperfectum (simple past) is used in written stories, descriptions, and with state and modal verbs. This lesson teaches imperfectum formation and when to choose between the two.
Find the verb's <strong>stem</strong> (infinitive minus -en). If the stem's final letter is in <strong>'t k-o-f-s-c-h-i-p</strong>, add <strong>-te</strong> (singular) or <strong>-ten</strong> (plural). Otherwise add <strong>-de</strong> (singular) or <strong>-den</strong> (plural).
Practice: Give the imperfectum singular of "voelen". (Ze ___ zich goed.)
voelde — voelen → stem: voel → l is not in 't kofschip → voelde. Ze voelde zich goed.
Practice: Give the imperfectum singular of "werken". (Hij ___ elke dag.)
werkte — werken → stem: werk → k is in 't kofschip → werkte. Hij werkte elke dag.
Practice: Give the imperfectum plural of "ergeren". (Ze ___ hem met haar opmerkingen.)
ergerden — ergeren → stem: erger → r not in 't kofschip → ergerden. Ze ergerden hem met haar opmerkingen.
Practice: Give the imperfectum singular of "schamen". (Hij ___ zich.)
schaamde — schamen → stem: schaam → m not in 't kofschip → schaamde. Hij schaamde zich.
<strong>Strong verbs</strong> change their vowel in the imperfectum — there is no -te/-de ending. These forms must be memorised. The singular and plural often differ (was / waren, had / hadden).
Practice: Complete: "Hij ___ erg verlegen op de eerste date." (zijn)
was — zijn → was (singular). Hij was erg verlegen op de eerste date.
Practice: Complete: "Ze ___ blond haar en blauwe ogen." (hebben)
had — hebben → had (singular). Ze had blond haar en blauwe ogen.
Practice: Complete: "Ze ___ goed met elkaar klikken." (kunnen, plural)
konden — kunnen → konden (plural). Ze konden goed met elkaar klikken.
Practice: Complete: "Ik ___ hem voor het eerst op een feestje." (zien)
zag — zien → zag (singular). Ik zag hem voor het eerst op een feestje.
Use the <strong>imperfectum</strong> for: (a) written narratives and stories, (b) state/description and modal verbs (zijn, hebben, kunnen, mogen, moeten, willen, weten, denken), (c) habitual past with <em>vroeger</em>, <em>altijd</em>, <em>toen</em>. Use the <strong>perfectum</strong> for: (a) spoken Dutch, (b) completed actions reported conversationally, (c) recent actions with <em>net</em>, <em>al</em>, <em>nog niet</em>, <em>vandaag</em>.
Practice: Complete: "Ze ___ al jaren bevriend." Write the correct imperfectum form of "zijn". (plural)
waren — zijn is a state/description verb → imperfectum. Plural: waren. Ze waren al jaren bevriend.
Practice: Complete: "Ik ___ hem net ontmoet." (perfectum — auxiliary, first person singular)
heb — "net" signals a recently completed event → perfectum. ontmoeten takes hebben: Ik heb hem net ontmoet.
Practice: Complete: "Vroeger ___ hij altijd te laat." (komen, singular — habitual past)
kwam — "Vroeger … altijd" signals habitual past → imperfectum. komen → kwam: Vroeger kwam hij altijd te laat.
Practice: Complete: "We ___ vandaag een lang gesprek gehad." (perfectum — auxiliary, wij form)
hebben — "vandaag" with a completed conversational event → perfectum. hebben: We hebben vandaag een lang gesprek gehad.
| Infinitive | Imperfectum (sing.) | Imperfectum (plur.) | Example |
|---|---|---|---|
| zijn | was | waren | Hij was verlegen. He was shy. |
| hebben | had | hadden | Ze had lang haar. She had long hair. |
| kunnen | kon | konden | Ze konden goed klikken. They got along well. |
| mogen | mocht | mochten | Hij mocht haar ouders bellen. He was allowed to call her parents. |
| moeten | moest | moesten | Ze moest eerlijk zijn. She had to be honest. |
| willen | wilde | wilden | Hij wilde haar leren kennen. He wanted to get to know her. |
| weten | wist | wisten | Ze wist niet wat ze voelde. She did not know what she felt. |
| denken | dacht | dachten | Ik dacht aan haar. I thought about her. |
| komen | kwam | kwamen | Hij kwam elke avond langs. He came by every evening. |
| gaan | ging | gingen | Ze gingen samen wandelen. They went for a walk together. |
| zien | zag | zagen | Ik zag hem voor het eerst. I saw him for the first time. |
| vinden | vond | vonden | Ze vond hem erg aardig. She found him very nice. |
| geven | gaf | gaven | Hij gaf haar een compliment. He gave her a compliment. |
| nemen | nam | namen | Ze nam de tijd voor hem. She took the time for him. |
| houden | hield | hielden | Ze hielden van elkaar. They loved each other. |
Practice: Complete: "Ze ___ niet of hij haar leuk vond." (weten, singular)
wist — weten → wist (singular). Ze wist niet of hij haar leuk vond.
Practice: Complete: "Hij ___ haar graag een compliment." (geven, singular)
gaf — geven → gaf (singular). Hij gaf haar graag een compliment.
Practice: Complete: "Ze ___ van elkaar." (houden, plural)
hielden — houden → hielden (plural). Ze hielden van elkaar.
Practice: Complete: "Ik ___ haar heel aardig." (vinden, singular)
vond — vinden → vond (singular). Ik vond haar heel aardig.
Practice Simple Past vs Perfect Quiz with relationships and personality vocabulary
Flashwords uses flashcards, fill-in-the-blank quizzes, and listening exercises to make Dutch stick.
Start learning →