Praten over het verleden — Perfectum
The perfectum is the main past tense in spoken Dutch — use it to say what you have done or did. It is formed with the auxiliary hebben or zijn plus a past participle at the end of the sentence.
The auxiliary verb (hebben or zijn) sits in <strong>position 2</strong>. Everything else — objects, adverbs, time expressions — slots in between, and the <strong>past participle comes last</strong>.
Practice: Put in order: "ik / heb / gespeeld / tennis / gisteren"
Ik heb gisteren tennis gespeeld. — Subject → auxiliary → time/object → participle: Ik heb gisteren tennis gespeeld.
Practice: Complete: "Ze ___ afgelopen week veel gesport."
heeft — sporten takes hebben. ze (singular) → heeft: Ze heeft afgelopen week veel gesport.
Use <strong>zijn</strong> with verbs of <em>motion to a destination</em> or <em>change of state</em>. Use <strong>hebben</strong> with all other verbs, including most sports and hobbies that happen in one place.
Practice: "fietsen" — hebben or zijn?
zijn — fietsen expresses motion → zijn: Ik ben gefietst.
Practice: "sporten" — hebben or zijn?
hebben — sporten uses hebben: Ze heeft gesport.
Form regular past participles with <strong>ge- + stem</strong>. Add <strong>-t</strong> if the stem ends in a letter from 't kofschip (t, k, f, s, ch, p); add <strong>-d</strong> for all other stems.
Practice: Past participle of "oefenen"?
geoefend — oefenen → stem: oefen → not in 't kofschip → ge- + oefen + -d = geoefend.
Practice: Past participle of "sporten"?
gesport — sporten → stem: sport → t is in 't kofschip → ge- + sport + -t = gesport.
Words like <strong>gisteren</strong>, <strong>vorig jaar</strong>, <strong>geleden</strong>, <strong>zojuist</strong>, and <strong>afgelopen week</strong> always appear with the perfectum. They usually come right after the auxiliary or at the start of the sentence.
Practice: Complete: "___ weekend ben ik gaan fietsen." (last weekend)
Vorig — vorig (previous/last) is the correct time word here: Vorig weekend ben ik gaan fietsen.
Practice: Complete: "Ik heb ___ een uur gesport." (just now)
zojuist — zojuist signals something that happened moments ago: Ik heb zojuist een uur gesport.
| Infinitive | Past participle | Auxiliary | Example | Example |
|---|---|---|---|---|
| spelen | gespeeld | hebben | We hebben gisteren tennis gespeeld. We played tennis yesterday. | |
| sporten | gesport | hebben | Ik heb afgelopen week veel gesport. I exercised a lot last week. | |
| oefenen | geoefend | hebben | Ze heeft elke dag geoefend. She practised every day. | |
| fietsen | gefietst | zijn | We zijn naar het bos gefietst. We cycled to the forest. | |
| wandelen | gewandeld | zijn | Hij is zojuist gewandeld. He just went for a walk. | |
| schilderen | geschilderd | hebben | Vorig jaar heb ik veel geschilderd. Last year I painted a lot. | |
| zwemmen | gezwommen | zijn | Afgelopen zomer zijn we veel gezwommen. Last summer we swam a lot. | |
| lezen | gelezen | hebben | Ik heb zojuist een boek uitgelezen. I just finished reading a book. | |
| gaan | gegaan | zijn | Ze zijn naar het park gegaan. They went to the park. | |
| kijken | gekeken | hebben | We hebben gisteren een film gekeken. We watched a film yesterday. |
Practice: Complete: "We ___ naar het bos gefietst." (fietsen, wij)
zijn — fietsen is a motion verb → zijn. We zijn naar het bos gefietst.
Practice: Past participle of "kijken": we hebben een film ___?
gekeken — kijken is irregular. Past participle: gekeken. We hebben een film gekeken.
Practice the Perfect Tense Quiz with past tense time expressions and vocabulary
Flashwords uses flashcards, fill-in-the-blank quizzes, and listening exercises to make Dutch stick.
Start learning →