Scheidbare werkwoorden
Dutch medical vocabulary is full of separable verbs — verbs whose prefix splits off to the end of the main clause. This lesson applies the three separable-verb rules you already know to the healthcare verbs from Thema 7. Use the reference table below to look up any verb, then work through the rule sections for practice.
| Infinitive | Meaning | Past participle | Example |
|---|---|---|---|
| opbellen | call (by phone) | opgebeld | Ik bel de huisarts op. I call the GP. |
| doorslikken | swallow (down) | doorgeslikt | Slik de tablet goed door. Swallow the tablet properly. |
| doorverwijzen | refer on | doorverwezen | De huisarts verwijst me door naar een specialist. The GP refers me to a specialist. |
| innemen | take (medicine) | ingenomen | Neem de pil na het eten in. Take the pill after eating. |
| inschrijven | register | ingeschreven | Ik schrijf me in bij een nieuwe huisarts. I register with a new GP. |
| omhouden | keep on (clothes) | omgehouden | Je mag je trui omhouden. You can keep your jumper on. |
| opnemen | answer / admit | opgenomen | De patiënt wordt opgenomen in het ziekenhuis. The patient is admitted to hospital. |
| opruimen | tidy up | opgeruimd | Ruim de medicijnen op na gebruik. Tidy up the medicines after use. |
| opschrijven | write down | opgeschreven | De dokter schrijft de klachten op. The doctor writes down the symptoms. |
| opstaan | get up | opgestaan | Sta langzaam op na de operatie. Get up slowly after the operation. |
| optreden | occur / act up | opgetreden | Er zijn bijwerkingen opgetreden. Side effects have occurred. |
| opvallen | stand out / be noticed | opgevallen | Het is me opgevallen dat hij moe is. I noticed that he is tired. |
| opzoeken | look up | opgezocht | Ze zoekt de bijsluiter op. She looks up the package insert. |
| terugbrengen | bring back | teruggebracht | Breng de krukken terug naar de apotheek. Bring the crutches back to the pharmacy. |
| terugkomen | come back | teruggekomen | Kom volgende week terug voor controle. Come back next week for a check-up. |
| uitdoen | take off (clothes) | uitgedaan | Doe je shirt uit, alsjeblieft. Take off your shirt, please. |
| uitkijken | watch out | uitgekeken | Kijk uit op de natte vloer. Watch out on the wet floor. |
| uitnodigen | invite | uitgenodigd | De kliniek nodigt je uit voor een afspraak. The clinic invites you for an appointment. |
| uitschrijven | write out / deregister | uitgeschreven | De arts schrijft een recept uit. The doctor writes out a prescription. |
| uitslapen | sleep in | uitgeslapen | Je mag morgen uitslapen na de operatie. You can sleep in tomorrow after the operation. |
| uitstappen | get out / step out | uitgestapt | Stap voorzichtig uit de rolstoel. Step carefully out of the wheelchair. |
| uitzetten | turn off | uitgezet | Zet je telefoon uit in het ziekenhuis. Turn off your phone in the hospital. |
| weggaan | go away / leave | weggegaan | De pijn gaat langzaam weg. The pain goes away slowly. |
| aanbrengen | apply (ointment/etc.) | aangebracht | Breng de zalf tweemaal per dag aan. Apply the ointment twice a day. |
| aanhouden | continue / persist | aangehouden | De koorts houdt al drie dagen aan. The fever has persisted for three days. |
| aankomen | arrive / gain weight | aangekomen | De ambulance komt snel aan. The ambulance arrives quickly. |
| aantrekken | put on (clothes) | aangetrokken | Trek het ziekenhuishemd aan. Put on the hospital gown. |
| aanwijzen | point out / indicate | aangewezen | Wijs aan waar het pijn doet. Point out where it hurts. |
| aanzetten | turn on | aangezet | Zet het infuus aan. Turn on the drip. |
| afmaken | finish | afgemaakt | Maak de kuur helemaal af. Finish the course of treatment completely. |
| afwassen | wash (dishes/wounds) | afgewassen | Was de wond voorzichtig af. Wash the wound carefully. |
| doorlopen | continue walking | doorgelopen | Loop rustig door na de injectie. Walk calmly on after the injection. |
| doorlezen | read through | doorgelezen | Lees de bijsluiter goed door. Read through the package insert carefully. |
Practice: Past participle of opbellen?
opgebeld — op + ge + beld → opgebeld. ge- is inserted between prefix and stem.
Practice: Past participle of aankomen?
aangekomen — aan + ge + komen → aangekomen.
Practice: Past participle of terugbrengen?
teruggebracht — terugbrengen has an irregular stem: bracht. Add ge- between prefix and stem: teruggebracht.
Practice: Split in sentence: De arts ___ een recept ___ (uitschrijven)
schrijft ... uit — uitschrijven splits: de arts schrijft een recept uit. Prefix "uit" moves to the end.
In a main clause the conjugated verb stays in position 2 and the prefix moves to the very end.
Practice: Split in sentence: De verpleegster ___ de temperatuur ___ (opschrijven)
schrijft ... op — opschrijven splits: de verpleegster schrijft de temperatuur op. The prefix "op" moves to the end.
Practice: Translate: He turns off the drip. (uitzetten)
Hij zet het infuus uit. — uitzetten splits: hij zet het infuus uit. The prefix "uit" moves to the end.
Practice: Split in sentence: De arts ___ me ___ naar een specialist. (doorverwijzen)
verwijst ... door — doorverwijzen splits: de arts verwijst me door. The prefix "door" moves to the end.
Add <em>ge-</em> between the separable prefix and the verb stem. When the stem itself starts with an inseparable prefix (ver-, be-, ont-…), no additional <em>ge-</em> is added to the stem.
Practice: Past participle of innemen?
ingenomen — in + ge + nomen → ingenomen. ge- goes between prefix "in" and the stem.
Practice: Past participle of doorverwijzen?
doorverwezen — The stem verwijzen already starts with inseparable "ver-", so no ge- is added: doorverwezen.
Practice: Past participle of opzoeken?
opgezocht — opzoeken has an irregular stem: zocht. op + ge + zocht → opgezocht.
Practice: Past participle of terugkomen?
teruggekomen — terug + ge + komen → teruggekomen.
When a separable verb follows <em>te</em>, place <em>te</em> between the prefix and the verb stem.
Practice: Correct form with te: Ik probeer de kuur af ___ (afmaken)
af te maken — te goes between prefix and verb: af te maken.
Practice: Correct form with te: Het is belangrijk de zalf aan ___ (aanbrengen)
aan te brengen — aan te brengen — te splits between prefix "aan" and verb "brengen".
Practice: Correct form with te: Ze vergeet haar shirt uit ___ (uitdoen)
uit te doen — uit te doen — te goes between "uit" and "doen".
Practice Separable Verbs: Healthcare Quiz with healthcare vocabulary
Flashwords uses flashcards, fill-in-the-blank quizzes, and listening exercises to make Dutch stick.
Start learning →