Perfectum deel 2 — het perfectum met zijn
In deel 1 you saw that most verbs form the perfectum with hebben. This lesson covers deel 2: a fixed group of verbs that always take zijn as the auxiliary, plus verbs of movement from A to B that switch to zijn when a destination is mentioned.
A fixed group of common verbs forms the perfectum with <strong>zijn</strong>, not hebben. Most express a <em>change of state</em> (worden, beginnen, stoppen, gebeuren, veranderen) or are simply learned as fixed exceptions (zijn, gaan, komen, blijven). Learn these as a set.
Practice: "gaan" — hebben or zijn?
zijn — gaan always takes zijn: Wij zijn naar huis gegaan.
Practice: Complete: "Ik ___ gisteren naar Amsterdam geweest." (zijn, ik)
ben — The verb zijn forms its perfectum with zijn. ik → ben: Ik ben naar Amsterdam geweest.
Verbs describing a <strong>change from one state to another</strong> take zijn: beginnen (to start), stoppen (to stop/quit), gebeuren (to happen), veranderen (to change), trouwen (to marry), slagen (to pass), zakken (to fail), stijgen (to rise), dalen (to fall).
Practice: Complete: "De les ___ om 9 uur begonnen." (beginnen)
is — beginnen is a change of state → zijn. de les → is: De les is om 9 uur begonnen.
Practice: "gebeuren" — hebben or zijn?
zijn — gebeuren always takes zijn: Er is een ongeluk gebeurd.
Verbs of movement (lopen, fietsen, zwemmen, rijden) take <strong>hebben</strong> when there is <em>no destination</em> — the focus is on the activity. They take <strong>zijn</strong> when the sentence names a <em>destination</em> (movement from A to B).
Practice: Complete: "Ik ___ 10 kilometer gelopen." (no destination)
heb — No destination is named, so the focus is the activity → hebben: Ik heb 10 kilometer gelopen.
Practice: Complete: "Ik ___ naar het station gelopen." (destination)
ben — A destination (het station) is named → zijn: Ik ben naar het station gelopen.
Some of these verbs already <em>begin</em> with an unstressed prefix (be-, ge-, ont-, ver-), so they do <strong>not</strong> add another ge- in the past participle: beginnen → <strong>begonnen</strong>, gebeuren → <strong>gebeurd</strong>, veranderen → <strong>veranderd</strong>.
Practice: Past participle of "beginnen"?
begonnen — beginnen already starts with be-, so no extra ge-: begonnen.
Practice: Past participle of "gebeuren"?
gebeurd — gebeuren already begins with ge-, so the participle is just gebeurd.
| Infinitive | Past participle | Auxiliary | Example | Example |
|---|---|---|---|---|
| zijn | geweest | zijn | Ik ben in Amsterdam geweest. I have been to Amsterdam. | |
| gaan | gegaan | zijn | Wij zijn naar huis gegaan. We went home. | |
| komen | gekomen | zijn | Mila is naar Nederland gekomen. Mila came to the Netherlands. | |
| blijven | gebleven | zijn | We zijn lang gebleven. We stayed a long time. | |
| worden | geworden | zijn | Simone is 25 jaar geworden. Simone turned 25. | |
| beginnen | begonnen | zijn | De les is begonnen. The lesson has started. | |
| stoppen | gestopt | zijn | Peter is met zijn studie gestopt. Peter quit his studies. | |
| gebeuren | gebeurd | zijn | Er is een ongeluk gebeurd. An accident happened. | |
| veranderen | veranderd | zijn | Er is veel veranderd. A lot has changed. | |
| trouwen | getrouwd | zijn | Ze zijn vorig jaar getrouwd. They got married last year. | |
| slagen | geslaagd | zijn | Ik ben voor mijn examen geslaagd. I passed my exam. | |
| zakken | gezakt | zijn | Veel studenten zijn gezakt. Many students failed. | |
| stijgen | gestegen | zijn | Het aantal is met 10 procent gestegen. The number rose by 10 percent. | |
| dalen | gedaald | zijn | Het aantal is met 5 procent gedaald. The number fell by 5 percent. |
Practice: Complete: "Mila ___ naar Nederland gekomen." (komen)
is — komen takes zijn. Mila → is: Mila is naar Nederland gekomen.
Practice: Past participle of "worden"?
geworden — worden is irregular. Past participle: geworden. Simone is 25 jaar geworden.
Practice the Perfect Tense with Zijn Quiz with the zijn-verbs and movement A → B
Flashwords uses flashcards, fill-in-the-blank quizzes, and listening exercises to make Dutch stick.
Start learning →